15. Vrede: alles wat we kunnen wensen of bidden

Beeld van een 'free hugs-campaign', waarin vrijwilligers op straat voorbijgangers een omhelzing aanbieden. Gewoon, omdat het goed doet. Klik op de foto voor de website van de campagne.

‘Vrede laat ik jullie na,
mijn vrede geef ik jullie.
Niet zoals de wereld die geeft,
geef ik die aan jullie.

Laat jullie hart niet verontrust worden of bang.
Jullie hebben gehoord
dat ik jullie gezegd heb:
ik ga weg
en ik kom bij jullie terug.

Als jullie mij liefhebt,
zijn jullie verheugd
omdat ik naar de Vader ga,
want de Vader is groter dan ik.

En nu zeg ik het jullie
voordat het gebeurt,
opdat jullie wanneer het gebeurt
zult geloven’.

Johannes 14, 27-29

De geest van Jezus, de ‘parakletos’, wordt in het afscheid genoemd met een groet: ‘Vrede laat ik jullie na, mijn vrede geef ik jullie’. Niemand weet het, maar het is alsof de eerste geloofsgemeente in deze laatste woorden van Jezus bijna een eucharistische acclamatie wil laten doorschemeren. Jezus geeft aan het slot zijn zegen, spreekt de oeroude liturgische woorden: sjaloom, vrede.

Jezus staat op deze avond in een langdurige geschiedenis: zijn voorvaderen hebben onophoudelijk en onvermoeibaar de vrede gewenst aan wie zij begroetten of gingen verlaten.

De psalmdichter, de profeten, zelfs koningen van heinde en verre en nog vele anderen zeggen het Jezus vóór of na. ‘Vrede’ was de samenballing van alles wat de kinderen Israëls maar te bidden en te wensen hadden.

Jezus maakt daar nu een nieuwe geschiedenis van. Op dit historisch moment toont en bezegelt hij, de vorst van de vrede te zijn (Jes.3,5; 52,7). Hij kan niet beter wensen en zegenen dan door de vrede te geven, de bijstand van oudsher en de versterking voor de komende eeuwen. Met dit woord wordt alles gezegd, wat gezegd kan worden. Het is de troost en de enige wens voor altijd. Mensen konden en kunnen ook nu niets alomvattenders wensen dan dit.

Dit bericht is geplaatst in Johannes 14. Bookmark de permalink.