12. Jij en ik, in de hoek van de zaal

‘Ik zal jullie niet achterlaten als wezen,
ik keer tot jullie terug.
Nog een korte tijd
en de wereld ziet mij niet meer;
jullie echter zien mij,
want ikzelf
en jullie zullen leven.

Op die dag zullen jullie weten,
dat ik in mijn Vader ben
en jullie in mij
en ik in jullie’.

Johannes 14, 18-20

De leerlingen op die laatste avond rond Jezus aan tafel, moeten zich in die uren eindeloos verweesd en verlaten hebben gevoeld. Misschien overkomt die dreigende eenzaamheid ieder mens, die noodgedwongen zijn of haar heengaan ziet naderen. Het lijkt wel, of het dan niet allereerst het eigen heengaan is, dat tot droefheid en onrust leidt, maar het bewustzijn dat men die anderen in de steek moet laten en confronteren met een peilloos en niet meer te vullen verlies. Mensen die ten einde gaan, zijn vaak meer beducht om die ander dan om zichzelf.

De leerlingen, hier toegesproken door de vertrekkende Jezus, zijn – zoals in het hele verhaal – niet alleen maar de aanwezige leerlingen, toen en daar, maar vóór alles de deels niet- of fout-begrijpende, maar altijd vereenzaamde en neerslachtige gelovigen van later en van hier en nu. Daarom spreekt Jezus in al deze woorden vaak in meervoud en hoort de geloofsgemeente hem als zij goed luistert tot haarzelf spreken.

Deze dubbelzinnigheid van de tekst maakt haar ook voor huidige lezers en lezeressen tot veel meer dan enkel een relaas. Een bedrukte geloofsgemeente heeft er destijds – eind eerste eeuw – haar geloof en haar verkwikking in uitgesproken en gevonden. Daarmee zijn de woorden van Jezus tot een troostrede geworden, die over de eeuwen heen ook nog in dit jaar en deze weken kan beroeren en aanspreken.

Het is dan ook geenszins in tegenspraak met de tekst, als die geloofsgemeente van nu – jij en ik – zich samen met die van Johannes luisterend opstelt in een hoek van de zaal van het avondmaal en bij het horen of lezen van de woorden niet enkel denkt aan de verontrusting toen van die twaalf, maar evenzeer aan de eigen moedeloosheid en bekommernis van de geloofsgemeente van nu. De woorden die er staan, zijn niet alleen en zelfs niet allereerst negentien eeuwen oud; zij zijn tijdloos en daardoor hedendaags en onbestorven. Zij zijn nu, vandaag, tot mij en tot jou gesproken.

Dit bericht is geplaatst in Johannes 14. Bookmark de permalink.

Eén reactie op 12. Jij en ik, in de hoek van de zaal

  1. Karin Bornhijm schreef:

    Het valt me op dat Johannes steeds speelt met binnen en buiten, buitenstebinnen en binnenstebuiten. Alles is één? Iets in jezelf en toch niet van jou….

Reacties zijn gesloten.