10. Tekenen: alles wijst naar ‘je zult wel zien’

De zaaier, van Vincent van Gogh.

‘Voorwaar, voorwaar, ik zeg jullie:
wie in mij gelooft,
zal zelf ook de werken doen die ik doe.

Ja, grotere dan die zal hij doen,
omdat ik naar de Vader ga;
en wat je ook zult vragen in mijn naam,
dat zal ik doen,
opdat de Vader in de zoon verheerlijkt wordt.

Als je mij iets zult vragen in mijn naam,
dan zal ik het doen’.

Johannes 14, 12-14

’De werken’. Alles wat Jezus doet en zegt, is getuigenis van, geeft stem aan zijn verhouding tot zijn Vader. ‘Men zei eens tot de vruchtbomen: waarom reikt jullie geruis niet ver weg? Zij antwoordden: dat hebben wij niet nodig, onze vruchten getuigen van ons’. Geheel in de lijn van deze midrasj doet dit afscheidswoord van Jezus een beroep op zijn werken oftewel vruchten, om al wat hij gedaan heeft en zal doen te legitimeren. Aan de vruchten immers kent men de boom: een goede boom kan geen slechte vruchten dragen noch een zieke boom goede vruchten. Elke boom wordt gekend aan zijn vruchten: men plukt geen vijgen van dorens, men oogst geen druiven van een braamstruik (Mat.7,16-20; Luk. 6,43-45).

In deze alinea van zijn testament is Jezus als het ware de boer die over zijn akker gaat en aanwijst wat hij gezaaid heeft. Een te gemakkelijke theologie heeft daarbij voornamelijk gedacht aan de zogenoemde ‘wonderen’ die Jezus gedaan heeft. Johannes kent noch bezigt het woordje ‘wonder’. Hij spreekt en verhaalt van ‘tekenen’. Wat Jezus zegt en doet, zijn tekenen. Ieder woord van hem, iedere handeling wijst naar iets of iemand verderop, boven, straks, je-zult-wel-zien.

De werken dus zijn het bewijs. De richtingaanwijzer. Zij leggen getuigenis af. Zij zijn ontegenzeggelijk. Wat Jezus doet en uitspreekt, is een directe en onbetwistbare verwijzing naar de Eeuwige. Hij is Diens stem. Zijn hand. Zijn licht. Zijn brandpunt.

Dit bericht is geplaatst in Johannes 14. Bookmark de permalink.