4. Petrus: primaat, maar nummer twee

Detail uit Het Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci, met Johannes aan Jezus’ rechterhand en Petrus die hem iets zegt.

Simon Petrus zegt tot hem:
‘Rabbi, waar ga je naar toe?’
Jezus antwoordde hem:
‘Waar ik heen ga, kun je mij nu nog niet volgen,
maar je zult mij later volgen’.

Petrus zegt tot hem:
‘Rabbi, waarom kan ik je nu nog niet volgen?
Mijn leven zal ik voor jou geven’.
Jezus antwoordt:
‘Je leven zul je voor mij geven?
Voorwaar, voorwaar, ik zeg je:
de haan zal niet meer kraaien,
voordat je mij driemaal verloochenen zult’.

Johannes 13,36-38

Simon Petrus. Hij zit klaarblijkelijk dicht bij Jezus aan tafel, maar niet zo dicht als de leerling die Jezus beminde en die daar tegen de borst van Jezus aan ligt. Die geliefde leerling is zojuist al eens door Petrus aangestoten met de vraag: ‘zeg, wie is degene over wie hij spreekt?’ (wie zal Jezus overleveren en verraden?) (Joh.13,24-25).

In het verhaal van Johannes is Petrus, vergeleken met de geliefde leerling, altoos de tweede. Ondanks Petrus’ primaatschap, dat van de aanvang af vast staat (1,42) en nooit wordt ontkend (21,15-19), heeft de geliefde leerling in het vierde evangelie een voorsprong op hem en – althans, zo lijkt het toch wel – staat deze dichter bij Jezus dan hij. Petrus is onloochenbaar de eerste, maar de geliefde leerling gaat hem toch op een bepaalde manier steeds vooruit – en niet alleen op de morgen van Pasen.

Als die Simon Petrus door bemiddeling van die geliefde leerling aan tafel te horen of liever gezegd te zien heeft gekregen, wie Jezus zal verraden, gaat hij zelf nog eens vragen en beklemtonen, dat hij bereid is nu Jezus te volgen en zijn leven voor hem te geven. Jezus wijst hem op een allerminst verkwikkelijke manier terecht: ‘jij zult iets veel kwalijker doen dan mij je leven te geven. Jij, toch de eerste en de rotsman, zult mij afvallen en verloochenen’. Driemaal nog wel, dat wil zeggen: ten voeten uit.

Johannes zal die verloochening later met klem vertellen (18,25-27). En – in tegenstelling met de andere evangelisten – laat hij Petrus na afloop daarvan niet wenen. Het kan blijkbaar niet anders: er moet tussen Petrus en de geliefde leerling (Johannes zelf?) iets van afstandelijkheid of misschien wel van rivaliteit hebben bestaan. Wij weten het niet. Maar wellicht is wat wij ‘kerk’ noemen wel vanaf het eerste begin veelstemmig geweest.

Dit bericht is geplaatst in Johannes 13. Bookmark de permalink.